Blog
Balanceren tussen gift en tegengift: Hoe makers zoeken naar evenwicht in hun giftuitwisseling met particuliere gevers
door: Sofia Dovianus
In de wereld van het mecenaat spelen makers en gevers een complex spel van geven en nemen. Makers staan in dat spel voor een extra uitdaging: als zij een gift ontvangen zullen zij moeten gaan nadenken over een tegengift, maar tegelijkertijd moet wat ze in een geefrelatie stoppen ook in balans blijven met wat ze uit deze relatie halen. Om meer zicht te krijgen op wat voor waarden en ideeën vanuit makersperspectief achter dit proces schuilgaan, onderzochten prof. dr. Helleke van den Braber, Rocco Hueting MA en Iris van Korven MA in het tweede Leve het Geven-onderzoeksrapport op wat voor manieren makers naar evenwicht zoeken in de relatie met particuliere gevers. Dat deden zij door professionele makers – met en zonder vraagervaring en actief in verschillende kunstdisciplines – te interviewen over het volgende drietal thema’s: 1) de voorwaarden die makers stellen voor het al dan niet in zee gaan met een gever, 2) de voorkeuren en verwachtingen van makers in de uitwisseling van giften en tegengiften, en 3) de manieren waarop een giftuitwisseling de autonomie van makers kan bedreigen dan wel vergroten. Deze thema’s komen in het onderzoeksrapport achtereenvolgens aan bod, en worden afgewisseld door drie intermezzo’s waarin steeds één geïnterviewde maker wordt uitgelicht.
In zee met een gever
Uit de afgenomen interviews destilleerde het onderzoeksteam verschillende eigenschappen van de soort gever met wie makers het liefst een geefrelatie zouden willen aangaan. Allereerst hebben makers graag een gever die zelf het initiatief neemt, want dit kan ‘vraagschroom’ bij de maker wegnemen. Ook hebben ze voorkeur voor een gever die ze niet persoonlijk kennen, maar die wél hun werkt kent: dat maakt de relatie minder ongemakkelijk, en houdt gevers – dan wel met voldoende afstand – betrokken. Daarnaast zouden ze een gever willen van zowel buiten de kunstwereld (want dat voorkomt bemoeienis) als van binnen de kunstwereld (want dat biedt bijvoorbeeld nieuwe connecties). Verder hebben ze het liefst een gever die iets kan missen en die ook andere makers ondersteunt, want dat verlaagt de drempel om zelf een gift te aanvaarden. Bovendien vinden makers het niet per se nodig dat hun gever dezelfde smaak heeft als zij. Wel vinden ze het belangrijk dat hun gever geld geeft uit onverdachte bron, en dat die afspraken op papier wil vastleggen.
Giften en tegengiften
Als de voorwaarden voor het in zee gaan met een gever eenmaal helder zijn, rijst de vraag welk soort gift makers van hun gever willen krijgen. Het blijkt dat ze graag zowel materiële als niet-materiële giften ontvangen. Een materiële gift kan geld zijn, maar ook een werkruimte of logistiek (zoals vliegtickets of een tourbus). Een niet-materiële gift kan de vorm aannemen van erkenning en bevestiging van het kunstenaarschap van makers, en (toegang tot) connecties, kennis en advies. Het blijft echter niet bij een eenzijdige gift: makers zijn het erover eens dat degene die geeft een tegengift terugverdient. Wat voor tegengift willen makers dan bieden, daarbij rekening houdend met hun eigen wensen en de (vermeende) wensen van hun gever?
Het onderzoeksteam legde verschillende soorten tegengiften voor aan de makers om een antwoord te geven op die vraag. De makers geven aan het liefst een tastbare gift te bieden, bijvoorbeeld een exemplaar van een boek of een ticket voor een voorstelling. Ze verwachten echter dat gevers de tegengift van zingeving en waardering – die het gevoel geeft ‘goed te doen’ en gewaardeerd te worden als weldoener – nog prettiger zullen vinden. Het mínst graag geven makers de impact-tegengift, waarmee gevers invloed zouden kunnen uitoefenen op hun maakproces door bijvoorbeeld de naam van een album te mogen bedenken. Makers denken dat gevers een impact-tegengift ook precies niet willen hebben, wat voor deze tegengift een match laat zien tussen de voorkeur van makers en gevers. Het is in dat opzicht opvallend dat makers verwachten dat gevers de nabijheidstegengift – waarmee bijvoorbeeld een atelierbezoek, of een plek op de eerste rij van een voorstelling wordt geboden– wél zullen waarderen. Makers aarzelen echter om deze tegengift ook daadwerkelijk te bieden, veelal – net zoals bij de impact-tegengift – uit angst voor mogelijke bemoeizucht van gevers.
Autonomie beschermen, autonomie vergroten
De bovengenoemde opvattingen van makers over de uitwisseling van giften en tegengiften laten blijken dat makers graag zelf aan zet blijven in en controle houden over de relatie met gevers. Dat heeft alles te maken met de autonomie van makers in dit proces – het thema waarmee het onderzoeksrapport afsluit. De ondervraagde makers verstaan onder autonomie dat zij hun eigen keuzes kunnen maken en dat ze zich niet laten leiden door druk van buitenaf. Toch laat het onderzoek zien dat veel van de makers ook van mening zijn dat autonoom kunstenaarschap niet in isolement tot bloei komt, maar juist – als een ‘onderhandelde’ autonomie – vorm krijgt in contact met andere partijen, zoals gevers.
Hoe gaan makers daar in de praktijk mee om? Enerzijds doen ze dat door strategieën in te zetten waarmee ze hun autonomie kunnen beschermen, bijvoorbeeld door duidelijke afspraken te maken met gevers, maar soms ook door met hen samen te werken. Anderzijds kan het aangaan van een geefrelatie voor makers juist ook een strategie zijn om hun autonomie te vergróten, bijvoorbeeld omdat het de ruimte biedt vrijer of minder commercieel te werken. Deze autonomie beschermende en autonomie vergrotende strategieën vormen een duidelijk contrast, wat wederom wijst op de complexe overwegingen waarvoor makers gesteld staan in hun zoektocht naar evenwicht in hun relatie met gevers. Dat contrast roept nieuwe, intrigerende vragen op over het verdere verloop van geefrelaties. In het derde en laatste Leve het Geven-onderzoeksrapport gaat het onderzoeksteam zich dan ook verdiepen in de visie die makers én gevers hebben op de praktijk van giftuitwisselingen.
Meer lezen? Lees het tweede Leven het Geven rapport door Iris van Korven MA, prof. dr. Helleke van den Braber en Rocco Hueting MA hier.